Gezond leven
 
Levensfase
 
Medisch
 
Spreekuur
 
SlapenReizenVoedingMentaal fitBewegen en gezondheidAlternatieve geneeswijzenArbeid en gezondheidGezond gebitRoken, alcohol en drugsZwangerschapBaby'sKinderenJongerenVrouwenMannenSeniorenChronische ziektesHart - en vaatziektesMedische encyclopediePsychische AandoeningenGeneesmiddelenatlasBorstkankerAfasieArtroseAstmaDementieDepressieDiabetesHoge bloeddrukHoofdpijnIncontinentieLeven met een chronische ziekteMantelzorgRugpijnSporten met een beperkingVoedselallergieVraag het de deskundigeGa ik hiermee naar de dokter?Symptomen ScanHet virtuele consultatiebureau
 

Blaastraining

Tell a friendPagina afdrukken
 

Inleiding

Blaastraining is een training om het gedrag rondom het plassen te veranderen, met als doel de blaasfunctie te verbeteren. Normaal plassen mensen vier tot zes keer per dag en soms een enkele keer ’s nachts. Bij ouderen kan de blaasinhoud kleiner worden. Hierdoor plassen ouderen iets vaker, zowel overdag als ’s nachts.

Blaastraining kan door een incontinentieverpleegkundige of door een bekkenfysiotherapeut worden gegeven. Het wordt regelmatig voorgeschreven in combinatie met medicijnen of met bekkenbodemtherapie, en soms met beide. Blaastraining wordt zowel aan volwassenen als aan kinderen gegeven.

Wanneer wordt blaastraining gegeven?

Het doel van blaastraining is enerzijds om de blaascapaciteit te verbeteren. En daarnaast dat de blaas meer urine kan ophouden zonder naar het toilet te gaan of ongewenst urine te verliezen. Blaastraining kan gegeven worden bij:

  • aandrang (urge) urine-incontinentie, waarbij sprake is van een overactieve blaas.
  • alle andere vormen van incontinentie waarbij de blaasfunctie verstoord is door een verkeerd plaspatroon. Voorbeeld van een verkeerd plaspatroon is tijdens het plassen de bekkenbodemspieren niet goed ontspannen.
  • te weinig plassen, of bij een steeds terugkerende blaasontsteking doordat urine in de blaas achterblijft.

Blaastraining kan soms een kleine bijdrage leveren aan het leren omgaan met het probleem. Dat is het geval als de oorzaak van de incontinentie ligt in een neurologische aandoening, een afwijking van de blaas of de plasbuis of na bestralingen en operaties. Ook combinaties van bovengenoemde oorzaken komen voor.

Controle over de blaas

De controle over de blaas wordt door zowel de hersenen als door de bekkenbodem geregeld. In de hersenen bevindt zich een aantal centra dat via zenuwverbindingen contact heeft met de blaas. Als de blaas enigszins vol raakt, gaat er een signaal naar de hersenen. Dit voelt als aandrang.

Als iemand het plassen wil ophouden en uitstellen, krijgt hij de gedachte ‘ik ga straks wel’. Vervolgens gaat er een signaal van de hersenen naar de blaas en zal de blaasspier ontspannen. De hersenen functioneren dus als rem van de blaas.

Bij zeer sterke aandrang, waarbij de blaasspier de plasreflex al heeft gestart, moeten ook de bekkenbodemspieren aanspannen om geen urine te verliezen en de blaas te laten ontspannen. Als de aandrang verdwijnt, ontspant de bekkenbodem weer.

Onderzoeken

Voordat de training begint, worden het plaspatroon en het plasgedrag besproken. Daarnaast wordt gevraagd om gedurende twee tot drie dagen een plasdagboek bij te houden. Hierin wordt de hoeveelheid van elke plas genoteerd, of er aandrang was, wanneer er urineverlies was, het aantal plassen per dag en het aantal verschoningen. Ook kan soms informatie worden gebruikt uit onderzoeken, zoals een echografie, uroflowmetrie of van het urodynamisch onderzoek.

Emotionele factoren

Het is algemeen bekend dat de blaas bij spanningen gevoeliger is voor vulling, zoals bij een examen. Ook angst voor urineverlies levert spanningen op. Hierbij richt iemand als reactie de aandacht steeds meer op de blaasvulling. In plaats van te denken ‘kan ik het nog tien minuten ophouden?’, wordt er steeds vanuit angst gedacht: ‘ik moet plassen’.

De blaastraining

Het vraagt motivatie en doorzettingsvermogen om van de klachten af te komen. Tijdens de blaastraining moet een deelnemer op een bepaald tijdstip naar het toilet gaan of juist het toiletbezoek uitstellen. Dit helpt om de capaciteit van de blaas weer ‘normaal’ te krijgen.

Tips om de blaastraining gemakkelijk te maken:

  • Ga op een vast tijdstip naar het toilet.
  • Probeer na enkele dagen de tijd tussen de toiletbezoeken te verlengen met bijvoorbeeld vijf minuten. Doe dat net zo lang tot er drie tot vier uur tussen de toiletbezoeken zit. De blaas went eraan dat die steeds voller wordt.
  • Probeer afleiding te zoeken wanneer er aandrang om te plassen is.
  • Zet een stoel of krukje bij het toilet en probeer het plassen nog enkele minuten uit te stellen. Vaak helpt zitten op een stoel of kruk om het uitstellen iets gemakkelijker te maken.
  • Vermijd naar het toilet gaan ‘voor het geval dat’.
  • Ga op het toilet zitten om te plassen. Probeer vervolgens de urine nog tien seconden op te houden.
  • Vermijd dranken die de blaas kunnen prikkelen, zoals koffie, cola en alcohol.
  • Wanneer er ’s nachts sterke aandrang is om te plassen, is het verstandig om dit niet uit te stellen. Naarmate het overdag beter gaat met het uitstellen van het plassen, kan dit ook ‘s nachts worden gedaan.
  • Versterk de bekkenbodem door oefeningen voor de bekkenbodemspieren te doen.

Blaastraining helpt iemand bewust te worden van de negatieve spiraal en om samen oplossingen te zoeken om die spiraal te doorbreken. Van positieve gedachten als ‘kan ik het nog even ophouden?’, is het effect bewezen. Dat geldt ook voor het maken van een boodschappenlijstje, de mail bekijken of een klusje doen. Dit leidt de aandacht van de blaas af.

Dit geldt ook voor urineverlies dat steeds op hetzelfde moment plaatsvindt. Bij de een is dat het moment dat de knoop van de broek wordt losgemaakt, bij de ander het openen van de deur bij thuiskomst. Iemand is dan net niet lang genoeg in staat om de controle over de blaas te houden. Onderweg naar het toilet kan iemand zichzelf dwingen het op te houden met de gedachte: ‘ik mag pas plassen als ik op de toiletbril zit’. Het helpt om dit te oefenen op momenten dat de aandrang minder heftig is.

Wanneer er na vier tot zes weken blaastraining nog geen verbetering is, wordt aangeraden om contact te zoeken met een arts.

Resultaten

Het effect van blaastraining is wisselend en afhankelijk van de oorzaak en de ernst van de aandoening. Onderzoek naar blaastraining geeft aan dat er in gemiddeld 50 tot 65 procent verbetering optreedt in de plasfrequentie en de ernst van de aandrang. Er zijn aanwijzingen dat blaastraining in combinatie met medicijnen een groter effect kan hebben.

Meer informatie

Algemene informatie over incontinentie
www.incontinentie.net/php/c_home.php?s_referer=c_inc_beh_urine.php_topmenu

Informatie van het NHG over blaastraining bij kinderen
www.thuisarts.nl/bedplassen/ik-wil-blaastraining-toepassen

(Engelstalige) informatie van PubMed
www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12493360
www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/17917464

Bron: Medicinfo Copyright: Medicinfo Datum: 15/10/2013