Alvleeskliertransplantatie |
|
ADVERTENTIE
Inleiding
Alvleeskliertransplantatie (pancreastransplantatie) is de ingreep waarbij een zieke alvleesklier (pancreas) wordt vervangen door een gezonde. De alvleesklier is een klein orgaan in de bovenbuik met een lengte van ongeveer 18 cm. Dit orgaan speelt een belangrijke rol bij de spijsvertering. Het produceert enzymen om de eiwitten, vetten en koolhydraten uit ons voedsel af te breken. De alvleesklier bevat ook cellen die insuline produceren. Dit hormoon reguleert het verbruik en de opslag van suiker (glucose), de belangrijkste energiebron van het lichaam. Een tekort aan insuline veroorzaakt suikerziekte (diabetes mellitus).
Alvleeskliertransplantatie
Meestal is diabetes mellitus aanleiding voor eenalvleeskliertransplantatie. Als de diabetes niet op behandelingreageert en er dreigen complicaties, dan kan dat de reden zijn omte transplanteren. Suikerziekte beschadigt de bloedvaten en dat kande nieren ernstig aantasten. Als een pancreas wordtgetransplanteerd, wordt meestal tegelijk de nier getransplanteerd.In 1966 is voor het eerst een pancreas getransplanteerd. Sinds 1978is er dankzij verbeterde techniek en verbeterde geneesmiddelentegen afstoting, veel ervaring opgedaan. In totaal waren er totjanuari 2002 meer dan 10000 geslaagde transplantaties verricht. Inhet jaar 2000 werden er in Nederland 18nier-pancreastransplantaties verricht.
Donoren
Donororganen zijn afkomstig van donoren die hersendood zijnverklaard. Een donornier kan eventueel afkomstig zijn van eenlevende donor - meestal een familielid - die é én van beide nierenafstaat.
Voor wie
Niet iedereen komt in aanmerking voor een alvleeskliertransplantatie. Geschikte kandidaten zijn jonger dan 45 jaar en hebben een type I diabetes mellitus die niet goed reageert op therapie. Een beslissing tot transplantatie is niet eenvoudig. De operatie is een zware, risicovolle ingreep. Bovendien moeten mensen die een transplantatie hebben ondergaan, hun leven lang medicijnen slikken om afstoting van het orgaan te voorkomen. Die medicijnen onderdrukken het afweersysteem, wat de nodige risico' s meebrengt. Het wordt daarom alleen uitgevoerd bij mensen die geen andere gezondheidsproblemen hebben, zoals infecties of problemen met hun bloeddruk of hart.Resultaat
Of de alvleeskliertransplantatie op lange termijn succesvolis, hangt af van de onderliggende aandoeningen. Ook kan hetverschillen hoe het lichaam op het nieuwe orgaan reageert. Meestalhoeft de patiënt na de ingreep echter geen insuline meer te nemen.Operaties waarbij tegelijk een nier én alvleesklier wordengetransplanteerd, hebben de meeste kans op slagen. De slagingskansneemt ook toe omdat er voortdurend effectievere medicijnen wordenontwikkeld die de afstoting van getransplanteerde organen tegengaan.
Afstoting
Afstoting van de nieuwe alvleesklier is een van de grootsterisico's na een alvleeskliertransplantatie. Afstoting treedt opwanneer het afweersysteem van de ontvanger het nieuwe orgaanaanvalt. Dit is een natuurlijke reactie van het lichaam opbijvoorbeeld bacteriën, stoffen en weefsels die niet in het lichaamthuishoren. Deze reactie moet worden voorkomen door geneesmiddelendie het afweersysteem onderdrukken.
Ontwikkelingen
Het gaat bij de transplantatie van de alvleesklier vooral omde eilandjes van Langerhans. De eilandjes bevatten bètacellen diebij gezonde mensen voldoende insuline produceren, maar bijdiabetespatiënten niet. In 1999 is voor het eerst met succesgeprobeerd alleen de bèta-cellen te transplanteren in plaats van dehele alvleesklier. Via een sonde werden de cellen uit dedonor-alvleesklier gezogen en via een ader in de lever ingebrachtwaar ze opnieuw konden groeien. Deze cellen namen dan de rol van deeilandjes van Langerhans over. Ook deze patiëënten moestengeneesmiddelen tegen afstoting innemen. De ingreep is echter veelminder zwaar en moeilijk dan de oorspronkelijke transplantatie. Dekomende jaren zullen leren of deze methode verder kan wordentoegepast. Over de effecten op lange termijn is nog onvoldoendebekend. Ook de beschikbaarheid van cellen is een probleem. Er wordtgewerkt aan het kweken van cellen in het laboratorium.
Voeding
Gezonde voeding is belangrijk, zowel voor als na detransplantatie. Vóór de operatie wordt de voedingstoestand van depatiënt beoordeeld. Het is belangrijk dat de patiënt voldoendecalorieën binnenkrijgt in de vorm van eiwitten en anderevoedingsstoffen. Na de operatie moet het voedingspatroonevenwichtig zijn. Overmatige gewichtstoename moet worden voorkomen.
Referenties
Kumar, P.J., Clark, M.L. (1999), Gastroenterology, in: Kumar,P. & Clark, M. (eds), Clinical Medicine, 4th Ed, HarcourtPublishers Limited, Edinburgh, London.
Palmer, K.R., Penman, D.I. (1999), Diseases ofthe alimentary tract and pancreas, in: Haslett, C., Chilvers,E.R.E., Hunter, J.A.A. & Boon, N.A. (eds), Davidson'sPrinciples and Practice of Medicine,18th ed, Churchill,Livingstone, London.
Russell, R.C.G. (2000), The pancreas, in:Russell, R.C.G., Williams, N.S. & Bulstrode, C.J.K. (eds),Bailey & Love's short practice of surgery, 23rd ed,Arnold, London. 'Pancreasaandoeningen', (4 oktober2001), Beschikbaar:
www.nlm.nih.gov/medlineplus/pancreaticdiseases.html
| Bron: LSHTM | Copyright: Medic Info | Datum: 09/04/2002 | Disclaimer |



